Veel gestelde vragen over Leermiddelenbeleid en Schoolkosten

Inleiding:

De hier opgenomen vragen en antwoorden zijn antwoorden van /door het netwerk op gestelde vragen. Het betreft interpretaties van wet- en regelgeving, bedoeld om de gevoerde discussies weer te geven. De antwoorden zijn niet getoetst bij de inspectie, noch bij OCW of MBO Raad en hebben derhalve geen formele status.

let op: veel vragen horen bij meerdere categorieën, dus worden meerdere keren weergegeven.

Kosten van de mbo-opleiding: voor de student

Een elektronische leeromgeving (ELO) is een vorm van dienstlening aan zowel de opleiding als de student en is onderdeel van de basisinventaris van de opleiding. De kosten hiervan mogen niet worden doorbelast aan de student.
De student mag wel gevraagd worden te kunnen beschikken over de licenties ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. Tijdens de lessen moet de student gebruik kunnen maken van de digitale voorzieningen die door de opleiding beschikbaar worden gesteld. In principe is de leerinhoud binnen de ELO daarmee een onderdeel van het reguliere aanbod en dus voor rekening van de opleiding.
De student is vrij licenties overal aan te schaffen en mag niet worden gedwongen dit via de opleiding (of een aangewezen webshop) te doen. Het is aan de student te kiezen voor het meest gunstige aanbod. De school mag er alles aan doen de toegang tot de leerinhoud zo eenvoudig mogelijk en efficiënt te maken maar mag daar geen bijdrage voor verlangen aan de student.

Vraag: “We verwachten van een niveau-4 student dat deze zelf over een laptop beschikt. Studenten mediavormgeving hebben een krachtige laptop nodig waar de student geacht wordt over te beschikken. Mag ik verplichten een dergelijke laptop aan te schaffen?”

Antwoord: Je mag minimumeisen stellen aan de laptop waarover de student dient te beschikken en die mogen bij de opleiding mediavormgeving hoger liggen. Een alternatief is het in bruikleen geven van een laptop, al dan niet met een borg al dan niet in combinatie met een bijdrage uit het WTO-fonds.

Nee, gereedschappen behoren in beide gevallen tot de basisinventaris. De opleiding regelt dit met het leerbedrijf in hun overeenkomst. De opleiding zou vanuit de WTO een bijdrage kunnen leveren aan de aanschaf van gereedschap. Dit staat echter op gespannen voet met de regel rondom de basisinventaris, omdat de aanschaf van gereedschap uitsluitend op advies en vrijwillig door de student kan worden aangeschaft.
Van de student mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met de beschikbare middelen tijdens de opleiding. De opleiding ziet toe op het juiste en veilig gebruik en de beschikbaarheid ervan.

Nee, in principe zijn de materialen die nodig zijn om de onderwijshandelingen ten behoeve van een kwalificatie bekostigd vanuit de lumpsum. Indien de student aanvullende materialen wil gebruiken vallen deze niet onder de reguliere bekostiging en mogen dus voor rekening van de student komen. Het uitoefenen van druk op de student om zelf reguliere verbruiksmaterialen aan te schaffen is niet toegestaan. Ook niet als dit in overleg met tussen het College van Bestuur en de Studentenraad is overeengekomen.

Aanvullend: Een vrijwillige aanvulling op het reguliere aanbod is in principe voor rekening van de student. Er mag geen druk worden uitgeoefend om hieraan deel te nemen. Indien het aanbod kwalificerend is dient de opleiding een kosteloos alternatief aan te bieden.

De school mag dat verbieden maar ook toestaan al dan niet tegen een reële vergoeding.

(Denk hierbij aan de opleidingen bloemschikken, brood- en banket, etc.)

Er zijn twee soorten toetsen en examens:
Formatieve toetsen bieden ondersteuning aan het beoordelen van de vorderingen van de student. De uitslag moet ook worden gedeeld met de student zodat deze een beeld krijgt van de studieresultaten. Zij vormen een onderdeel van het reguliere aanbod tijdens de lessen. Formatieve toetsen leveren wel een bijdrage aan de kwalificatie maar zijn er geen onderdeel van.
Summatieve toetsen en examens zijn een onderdeel van de kwalificatie en voor rekening van de opleiding. Soms zitten er kwalificerende onderdelen in de leerinhoud waarvan wordt verwacht dat de student er over kan beschikken. De kosten hiervan moeten worden gedragen door de opleiding en in overleg met de uitgever worden bepaald.

Extra vraag: Hoe zit het met aanvullende toetsen en examens?

Deze maken wel of geen onderdeel uit van het reguliere aanbod. Indien zij een onderdeel zijn van het reguliere aanbod, tijdens de lessen of de stage, dan zijn de kosten voor de opleiding. Zo niet, dan zijn zij vrijwillig en voor rekening van de student, al dan niet met een bijdrage van de instelling en/of het leerbedrijf.

En hoe zit het met externe examens?

Bij sommige opleidingen is het vanuit andere wetgeving (bijvoorbeeld bij Railvervoer of in het maritieme domein) verplicht om de examens extern te laten afnemen. Scholen kunnen daar niet omheen, externe examinering is dan verplicht. De school mag (een deel of alle) kosten voor de externe examens op de student verhalen. Het moet niet. Vanuit redelijkheid en billijkheid verdient het misschien aanbeveling te bekijken welke kosten door externe examinering worden bespaard?

Een student kan niet worden verplicht een device mee te nemen naar de les. In principe horen computers of aanverwante middelen in voldoende mate beschikbaar te zijn tijdens de opleiding. Zij behoren immers tot de basisuitrusting van de instelling en zijn bekostigd vanuit de lumpsum.
Een student mag verplicht worden te kunnen beschikken over een middel om digitale leerinhoud te kunnen gebruiken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen maar niet worden verplicht dit middel bij zich te hebben tijdens de lessen. Ook kan de student de toegang tot de lessen hierom niet worden ontzegd.

De student moet voorafgaand op de inschrijving geïnformeerd worden over de mogelijkheid tot bruikleen van de middelen die nodig zijn om de opleiding te kunnen volgen en zich voor te bereiden op de lessen en toetsen. De bruikleen is te allen tijde vrijwillig. Indien de student afziet van bruikleen moeten de benodigde uitrusting op school (of stage) beschikbaar zijn vanuit de basisinventaris.

De student kan niet worden verplicht middelen mee te nemen naar de lessen.

Ja, en dan mag de student ze houden of hij/zij mag de set weer kosteloos inleveren. (Betaling van een vergoeding is dus niet verplicht.)

En Let op: Je moet dit wel netjes regelen en vastleggen, is ook wel een gedoetje.

De BPV valt in alle opzichten onder het reguliere aanbod en derhalve volledig bekostigd uit de lumpsum. De student mag, op basis van vrijwilligheid, worden gevraagd te kunnen beschikken over dat wat nodig is om zich voor te bereiden op de stage. De opleiding en het leerbedrijf maken afspraken over de bekostiging van dat wat nodig is tijdens de stage. Eventuele aanvullende eisen door het leerbedrijf met betrekking tot VCE en VOG komen in principe voor rekening van de opleiding en het leerbedrijf. [let op: over de VOG is geen overeenstemming. Zie hier.]

Load More