Veel gestelde vragen over Leermiddelenbeleid en Schoolkosten

Inleiding:

De hier opgenomen vragen en antwoorden zijn antwoorden van /door het netwerk op gestelde vragen. Het betreft interpretaties van wet- en regelgeving, bedoeld om de gevoerde discussies weer te geven. De antwoorden zijn niet getoetst bij de inspectie, noch bij OCW of MBO Raad en hebben derhalve geen formele status.

let op: veel vragen horen bij meerdere categorieën, dus worden meerdere keren weergegeven.

Leermiddelen

De bpv/stage is een kwalificerend onderdeel van de opleiding en derhalve bekostigd vanuit de lumpsum. Veelal zal het leerbedrijf, al dan niet in overleg met de opleiding, zorgdragen voor de benodigde gereedschappen en verbruiksmaterialen.

Verbruiksmateriaal is niet of slechts deels herbruikbaar, en dus waardeloos of van mindere waarde na gebruik. Gereedschap is duurzaam en langdurig te gebruiken. De student mag worden geadviseerd zelf gereedschap aan te schaffen in het kader van de opleiding, maar niet worden verplicht. Gereedschap en verbruiksmaterialen vallen binnen de basisuitrusting bekostigd uit de lumpsum.

Als het gaat om softwarelicenties voor branchespecifieke software zoals bijvoorbeeld een reserveringssysteem, is deze softwaregereedschap te vergelijken met gereedschap. Dat betekent dat dit voor rekening van de school zou moeten zijn.

Ja, afhankelijk van de hoeveelheid, waarschijnlijk wel. Dit valt onder aanbestedings-regelgeving (≥ € 204.000 over 4 jaar) En let op, je doet  er verstandig aan dit over meerdere percelen te verdelen.

Een elektronische leeromgeving (ELO) is een vorm van dienstlening aan zowel de opleiding als de student en is onderdeel van de basisinventaris van de opleiding. De kosten hiervan mogen niet worden doorbelast aan de student.
De student mag wel gevraagd worden te kunnen beschikken over de licenties ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. Tijdens de lessen moet de student gebruik kunnen maken van de digitale voorzieningen die door de opleiding beschikbaar worden gesteld. In principe is de leerinhoud binnen de ELO daarmee een onderdeel van het reguliere aanbod en dus voor rekening van de opleiding.
De student is vrij licenties overal aan te schaffen en mag niet worden gedwongen dit via de opleiding (of een aangewezen webshop) te doen. Het is aan de student te kiezen voor het meest gunstige aanbod. De school mag er alles aan doen de toegang tot de leerinhoud zo eenvoudig mogelijk en efficiënt te maken maar mag daar geen bijdrage voor verlangen aan de student.

Vraag: “We verwachten van een niveau-4 student dat deze zelf over een laptop beschikt. Studenten mediavormgeving hebben een krachtige laptop nodig waar de student geacht wordt over te beschikken. Mag ik verplichten een dergelijke laptop aan te schaffen?”

Antwoord: Je mag minimumeisen stellen aan de laptop waarover de student dient te beschikken en die mogen bij de opleiding mediavormgeving hoger liggen. Een alternatief is het in bruikleen geven van een laptop, al dan niet met een borg al dan niet in combinatie met een bijdrage uit het WTO-fonds.

Readers worden, al dan niet in opdracht, ontwikkeld door de instelling. Het auteursrecht ligt bij de ontwikkelende partij. Daarmee zijn readers een onderdeel van het reguliere aanbod en om die reden bekostigd vanuit de lumpsum.
De opleiding kan ervoor kiezen de readers in een digitale variant gratis ter beschikking te stellen. Naar keuze kan een student kiezen voor een betaalde ‘analoge’ variant.

Categorieën: Readers

Nee, gereedschappen behoren in beide gevallen tot de basisinventaris. De opleiding regelt dit met het leerbedrijf in hun overeenkomst. De opleiding zou vanuit de WTO een bijdrage kunnen leveren aan de aanschaf van gereedschap. Dit staat echter op gespannen voet met de regel rondom de basisinventaris, omdat de aanschaf van gereedschap uitsluitend op advies en vrijwillig door de student kan worden aangeschaft.
Van de student mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met de beschikbare middelen tijdens de opleiding. De opleiding ziet toe op het juiste en veilig gebruik en de beschikbaarheid ervan.

Nee, in principe zijn de materialen die nodig zijn om de onderwijshandelingen ten behoeve van een kwalificatie bekostigd vanuit de lumpsum. Indien de student aanvullende materialen wil gebruiken vallen deze niet onder de reguliere bekostiging en mogen dus voor rekening van de student komen. Het uitoefenen van druk op de student om zelf reguliere verbruiksmaterialen aan te schaffen is niet toegestaan. Ook niet als dit in overleg met tussen het College van Bestuur en de Studentenraad is overeengekomen.

Aanvullend: Een vrijwillige aanvulling op het reguliere aanbod is in principe voor rekening van de student. Er mag geen druk worden uitgeoefend om hieraan deel te nemen. Indien het aanbod kwalificerend is dient de opleiding een kosteloos alternatief aan te bieden.

In principe valt de knipkop onder de basisuitrusting van de opleiding. De student kan gevraagd worden hierover te beschikken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. De eventuele aanschaf is vrijwillig. De student kan immers ook oefenen op de hoofden van familieleden en/of klanten.

De school mag dat verbieden maar ook toestaan al dan niet tegen een reële vergoeding.

(Denk hierbij aan de opleidingen bloemschikken, brood- en banket, etc.)

Gezamenlijke, al dan niet regionale, inkoop levert schaalvoordelen op voor de opleiding en de student. De student mag niet worden verplicht hieraan deel te nemen of worden belast met de kosten van ervan. In principe vallen verbruiksmaterialen onder de lumpsum-financiering van de opleiding. Bij een aankoopbedrag van meer dan 204.000 euro in vier jaar moet Europees worden aanbesteed.

Hier zijn we nog niet volledig uit, maar de gedachten zijn de volgende:
1. Wat voor de overige onderwijsinhoud geldt, geldt ook voor keuzedelen: dat wil zeggen dat er geen extra financiële bijdrage mag worden gevraagd (tenzij er een kosteloos alternatief is, zie 2), maar dat er wel mag worden gevraagd over onderwijsbenodigdheden te beschikken om je te kunnen voorbereiden op de lessen en toetsen.
2. Wat voor excursies en andere extra’s geldt , geldt ook voor keuzedelen: als het deel uit maakt van de opleiding, en het kost geld, moet er ook een kosteloos alternatief worden aangeboden voor diegenen die er niet voor kunnen of willen betalen.

Denk als school goed na over de wenselijkheid van keuzedelen die alleen bereikbaar zijn voor de ‘happy few’.

Categorieën: Beleid, Keuzedelen

Er zijn twee soorten toetsen en examens:
Formatieve toetsen bieden ondersteuning aan het beoordelen van de vorderingen van de student. De uitslag moet ook worden gedeeld met de student zodat deze een beeld krijgt van de studieresultaten. Zij vormen een onderdeel van het reguliere aanbod tijdens de lessen. Formatieve toetsen leveren wel een bijdrage aan de kwalificatie maar zijn er geen onderdeel van.
Summatieve toetsen en examens zijn een onderdeel van de kwalificatie en voor rekening van de opleiding. Soms zitten er kwalificerende onderdelen in de leerinhoud waarvan wordt verwacht dat de student er over kan beschikken. De kosten hiervan moeten worden gedragen door de opleiding en in overleg met de uitgever worden bepaald.

Extra vraag: Hoe zit het met aanvullende toetsen en examens?

Deze maken wel of geen onderdeel uit van het reguliere aanbod. Indien zij een onderdeel zijn van het reguliere aanbod, tijdens de lessen of de stage, dan zijn de kosten voor de opleiding. Zo niet, dan zijn zij vrijwillig en voor rekening van de student, al dan niet met een bijdrage van de instelling en/of het leerbedrijf.

De vraag is, welke partij, school, student, bpv-bedrijf, hiervoor de kosten moet dragen. Hierover is nog geen uitsluitsel en blijven de meningen verdeeld.

Duidelijk is, dat de student voorafgaande aan de opleiding moet weten dat voor de bpv en de uitoefening van deze beroepsrichting een VOG is vereist. Omdat de BPV deel uit maakt van de examenvereisten, is een VOG voorwaardelijk om het diploma te behalen.

Aanvragen: Bedrijven en instellingen kunnen ten behoeve van een natuurlijk persoon een VOG aanvragen. Online aanvragen is de goedkoopste oplossing. De betrokkene ontvangt een email en de gegevens om af te kunnen rekenen.

Discussie

De school betaalt: Aangezien de stages een onderdeel zijn van het reguliere aanbod (en voorwaardelijk voor het behalen van het diploma) ligt het voor de hand te veronderstellen dat de kosten hiervoor bij de opleiding liggen.
Nee, het bpv-bedrijf betaalt: Een werkgever zal voor zijn werknemers de vereiste VOG vergoeden. Een stagiair is in deze te vergelijken met een werknemer.
Nee, de student betaalt: omdat het persoonlijk van aard is, hoort het bij de onderwijsbenodigdheden.

Kortom: hier is nog geen uitsluitsel over!!

Een student kan niet worden verplicht een device mee te nemen naar de les. In principe horen computers of aanverwante middelen in voldoende mate beschikbaar te zijn tijdens de opleiding. Zij behoren immers tot de basisuitrusting van de instelling en zijn bekostigd vanuit de lumpsum.
Een student mag verplicht worden te kunnen beschikken over een middel om digitale leerinhoud te kunnen gebruiken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen maar niet worden verplicht dit middel bij zich te hebben tijdens de lessen. Ook kan de student de toegang tot de lessen hierom niet worden ontzegd.

De student moet voorafgaand op de inschrijving geïnformeerd worden over de mogelijkheid tot bruikleen van de middelen die nodig zijn om de opleiding te kunnen volgen en zich voor te bereiden op de lessen en toetsen. De bruikleen is te allen tijde vrijwillig. Indien de student afziet van bruikleen moeten de benodigde uitrusting op school (of stage) beschikbaar zijn vanuit de basisinventaris.

De student kan niet worden verplicht middelen mee te nemen naar de lessen.

Je mag vanuit de aanbestedingswetgeving een student niet verplichten om de voor de opleiding benodigde kleding op een door de instelling bepaald adres aan te schaffen (ookal zijn dat meerdere adressen).

De instelling mag niet verlangen dat de student (veiligheids-) kleding aanschaft met het logo van de instelling daarop aangebracht. Hierbij geldt wel de kanttekening dat sommige functioneel onderscheidende werkkleding zoals een uniform zonder logo wel voorgeschreven mag worden. De instelling kan niet voorschrijven dat de student de (veiligheids) kleding bij één specifieke leverancier aanschaft, ook leen- of 2e hands moet zijn toegestaan. Student mag gevraagd worden over (veiligheids-) kleding te beschikken.

Als oplossingrichting is aangedragen:

  • Hanteer alleen (veiligheids-) eisen en kleur;
  • stel gratis losse logo’s ter beschikking (speldje of opnaaien/strijken);
  • zorg voor vrije keuze van leverancier;
  • je mag wel leveranciers adviseren waarbij e.e.a. gekocht kan worden;
  • Je zou zelfs ook een leverancier kunnen voorstellen waar de student inclusief logo zou kunnen bestellen (dan hoeft hij niet te naaien)

De minister heeft aangegeven dat het restant van het WTO mag worden aangewend voor aanvullende maatregelen in het kader van de opleiding ten behoeve van de student. Het lijkt daarom in de rede aan te nemen dat ook deze activiteiten in aanmerking komen voor een (gehele of gedeeltelijke) tegemoetkoming in de kosten voor de student.
nb. Er is nog geen regeling die uitsluitsel geeft of dit pas mag indien alle aanvragen voor de reguliere tegemoetkoming zijn ingevuld.

Ja, en dan mag de student ze houden of hij/zij mag de set weer kosteloos inleveren. (Betaling van een vergoeding is dus niet verplicht.)

En Let op: Je moet dit wel netjes regelen en vastleggen, is ook wel een gedoetje.

De BPV valt in alle opzichten onder het reguliere aanbod en derhalve volledig bekostigd uit de lumpsum. De student mag, op basis van vrijwilligheid, worden gevraagd te kunnen beschikken over dat wat nodig is om zich voor te bereiden op de stage. De opleiding en het leerbedrijf maken afspraken over de bekostiging van dat wat nodig is tijdens de stage. Eventuele aanvullende eisen door het leerbedrijf met betrekking tot VCE en VOG komen in principe voor rekening van de opleiding en het leerbedrijf. [let op: over de VOG is geen overeenstemming. Zie hier.]

Beleid

De bpv/stage is een kwalificerend onderdeel van de opleiding en derhalve bekostigd vanuit de lumpsum. Veelal zal het leerbedrijf, al dan niet in overleg met de opleiding, zorgdragen voor de benodigde gereedschappen en verbruiksmaterialen.

Als het gaat om softwarelicenties voor branchespecifieke software zoals bijvoorbeeld een reserveringssysteem, is deze softwaregereedschap te vergelijken met gereedschap. Dat betekent dat dit voor rekening van de school zou moeten zijn.

Ja, afhankelijk van de hoeveelheid, waarschijnlijk wel. Dit valt onder aanbestedings-regelgeving (≥ € 204.000 over 4 jaar) En let op, je doet  er verstandig aan dit over meerdere percelen te verdelen.

Een elektronische leeromgeving (ELO) is een vorm van dienstlening aan zowel de opleiding als de student en is onderdeel van de basisinventaris van de opleiding. De kosten hiervan mogen niet worden doorbelast aan de student.
De student mag wel gevraagd worden te kunnen beschikken over de licenties ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. Tijdens de lessen moet de student gebruik kunnen maken van de digitale voorzieningen die door de opleiding beschikbaar worden gesteld. In principe is de leerinhoud binnen de ELO daarmee een onderdeel van het reguliere aanbod en dus voor rekening van de opleiding.
De student is vrij licenties overal aan te schaffen en mag niet worden gedwongen dit via de opleiding (of een aangewezen webshop) te doen. Het is aan de student te kiezen voor het meest gunstige aanbod. De school mag er alles aan doen de toegang tot de leerinhoud zo eenvoudig mogelijk en efficiënt te maken maar mag daar geen bijdrage voor verlangen aan de student.

Vraag: “We verwachten van een niveau-4 student dat deze zelf over een laptop beschikt. Studenten mediavormgeving hebben een krachtige laptop nodig waar de student geacht wordt over te beschikken. Mag ik verplichten een dergelijke laptop aan te schaffen?”

Antwoord: Je mag minimumeisen stellen aan de laptop waarover de student dient te beschikken en die mogen bij de opleiding mediavormgeving hoger liggen. Een alternatief is het in bruikleen geven van een laptop, al dan niet met een borg al dan niet in combinatie met een bijdrage uit het WTO-fonds.

Nee, gereedschappen behoren in beide gevallen tot de basisinventaris. De opleiding regelt dit met het leerbedrijf in hun overeenkomst. De opleiding zou vanuit de WTO een bijdrage kunnen leveren aan de aanschaf van gereedschap. Dit staat echter op gespannen voet met de regel rondom de basisinventaris, omdat de aanschaf van gereedschap uitsluitend op advies en vrijwillig door de student kan worden aangeschaft.
Van de student mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met de beschikbare middelen tijdens de opleiding. De opleiding ziet toe op het juiste en veilig gebruik en de beschikbaarheid ervan.

Nee, in principe zijn de materialen die nodig zijn om de onderwijshandelingen ten behoeve van een kwalificatie bekostigd vanuit de lumpsum. Indien de student aanvullende materialen wil gebruiken vallen deze niet onder de reguliere bekostiging en mogen dus voor rekening van de student komen. Het uitoefenen van druk op de student om zelf reguliere verbruiksmaterialen aan te schaffen is niet toegestaan. Ook niet als dit in overleg met tussen het College van Bestuur en de Studentenraad is overeengekomen.

Aanvullend: Een vrijwillige aanvulling op het reguliere aanbod is in principe voor rekening van de student. Er mag geen druk worden uitgeoefend om hieraan deel te nemen. Indien het aanbod kwalificerend is dient de opleiding een kosteloos alternatief aan te bieden.

De school mag dat verbieden maar ook toestaan al dan niet tegen een reële vergoeding.

(Denk hierbij aan de opleidingen bloemschikken, brood- en banket, etc.)

Hier zijn we nog niet volledig uit, maar de gedachten zijn de volgende:
1. Wat voor de overige onderwijsinhoud geldt, geldt ook voor keuzedelen: dat wil zeggen dat er geen extra financiële bijdrage mag worden gevraagd (tenzij er een kosteloos alternatief is, zie 2), maar dat er wel mag worden gevraagd over onderwijsbenodigdheden te beschikken om je te kunnen voorbereiden op de lessen en toetsen.
2. Wat voor excursies en andere extra’s geldt , geldt ook voor keuzedelen: als het deel uit maakt van de opleiding, en het kost geld, moet er ook een kosteloos alternatief worden aangeboden voor diegenen die er niet voor kunnen of willen betalen.

Denk als school goed na over de wenselijkheid van keuzedelen die alleen bereikbaar zijn voor de ‘happy few’.

Categorieën: Beleid, Keuzedelen

Er zijn twee soorten toetsen en examens:
Formatieve toetsen bieden ondersteuning aan het beoordelen van de vorderingen van de student. De uitslag moet ook worden gedeeld met de student zodat deze een beeld krijgt van de studieresultaten. Zij vormen een onderdeel van het reguliere aanbod tijdens de lessen. Formatieve toetsen leveren wel een bijdrage aan de kwalificatie maar zijn er geen onderdeel van.
Summatieve toetsen en examens zijn een onderdeel van de kwalificatie en voor rekening van de opleiding. Soms zitten er kwalificerende onderdelen in de leerinhoud waarvan wordt verwacht dat de student er over kan beschikken. De kosten hiervan moeten worden gedragen door de opleiding en in overleg met de uitgever worden bepaald.

Extra vraag: Hoe zit het met aanvullende toetsen en examens?

Deze maken wel of geen onderdeel uit van het reguliere aanbod. Indien zij een onderdeel zijn van het reguliere aanbod, tijdens de lessen of de stage, dan zijn de kosten voor de opleiding. Zo niet, dan zijn zij vrijwillig en voor rekening van de student, al dan niet met een bijdrage van de instelling en/of het leerbedrijf.

De vraag is, welke partij, school, student, bpv-bedrijf, hiervoor de kosten moet dragen. Hierover is nog geen uitsluitsel en blijven de meningen verdeeld.

Duidelijk is, dat de student voorafgaande aan de opleiding moet weten dat voor de bpv en de uitoefening van deze beroepsrichting een VOG is vereist. Omdat de BPV deel uit maakt van de examenvereisten, is een VOG voorwaardelijk om het diploma te behalen.

Aanvragen: Bedrijven en instellingen kunnen ten behoeve van een natuurlijk persoon een VOG aanvragen. Online aanvragen is de goedkoopste oplossing. De betrokkene ontvangt een email en de gegevens om af te kunnen rekenen.

Discussie

De school betaalt: Aangezien de stages een onderdeel zijn van het reguliere aanbod (en voorwaardelijk voor het behalen van het diploma) ligt het voor de hand te veronderstellen dat de kosten hiervoor bij de opleiding liggen.
Nee, het bpv-bedrijf betaalt: Een werkgever zal voor zijn werknemers de vereiste VOG vergoeden. Een stagiair is in deze te vergelijken met een werknemer.
Nee, de student betaalt: omdat het persoonlijk van aard is, hoort het bij de onderwijsbenodigdheden.

Kortom: hier is nog geen uitsluitsel over!!

Een student kan niet worden verplicht een device mee te nemen naar de les. In principe horen computers of aanverwante middelen in voldoende mate beschikbaar te zijn tijdens de opleiding. Zij behoren immers tot de basisuitrusting van de instelling en zijn bekostigd vanuit de lumpsum.
Een student mag verplicht worden te kunnen beschikken over een middel om digitale leerinhoud te kunnen gebruiken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen maar niet worden verplicht dit middel bij zich te hebben tijdens de lessen. Ook kan de student de toegang tot de lessen hierom niet worden ontzegd.

De student moet voorafgaand op de inschrijving geïnformeerd worden over de mogelijkheid tot bruikleen van de middelen die nodig zijn om de opleiding te kunnen volgen en zich voor te bereiden op de lessen en toetsen. De bruikleen is te allen tijde vrijwillig. Indien de student afziet van bruikleen moeten de benodigde uitrusting op school (of stage) beschikbaar zijn vanuit de basisinventaris.

De student kan niet worden verplicht middelen mee te nemen naar de lessen.

De minister heeft aangegeven dat het restant van het WTO mag worden aangewend voor aanvullende maatregelen in het kader van de opleiding ten behoeve van de student. Het lijkt daarom in de rede aan te nemen dat ook deze activiteiten in aanmerking komen voor een (gehele of gedeeltelijke) tegemoetkoming in de kosten voor de student.
nb. Er is nog geen regeling die uitsluitsel geeft of dit pas mag indien alle aanvragen voor de reguliere tegemoetkoming zijn ingevuld.

Ja, en dan mag de student ze houden of hij/zij mag de set weer kosteloos inleveren. (Betaling van een vergoeding is dus niet verplicht.)

En Let op: Je moet dit wel netjes regelen en vastleggen, is ook wel een gedoetje.

De BPV valt in alle opzichten onder het reguliere aanbod en derhalve volledig bekostigd uit de lumpsum. De student mag, op basis van vrijwilligheid, worden gevraagd te kunnen beschikken over dat wat nodig is om zich voor te bereiden op de stage. De opleiding en het leerbedrijf maken afspraken over de bekostiging van dat wat nodig is tijdens de stage. Eventuele aanvullende eisen door het leerbedrijf met betrekking tot VCE en VOG komen in principe voor rekening van de opleiding en het leerbedrijf. [let op: over de VOG is geen overeenstemming. Zie hier.]

Beleid onderwijsbenodigdheden en schoolkosten

Vraag: “We verwachten van een niveau-4 student dat deze zelf over een laptop beschikt. Studenten mediavormgeving hebben een krachtige laptop nodig waar de student geacht wordt over te beschikken. Mag ik verplichten een dergelijke laptop aan te schaffen?”

Antwoord: Je mag minimumeisen stellen aan de laptop waarover de student dient te beschikken en die mogen bij de opleiding mediavormgeving hoger liggen. Een alternatief is het in bruikleen geven van een laptop, al dan niet met een borg al dan niet in combinatie met een bijdrage uit het WTO-fonds.

De vraag is, welke partij, school, student, bpv-bedrijf, hiervoor de kosten moet dragen. Hierover is nog geen uitsluitsel en blijven de meningen verdeeld.

Duidelijk is, dat de student voorafgaande aan de opleiding moet weten dat voor de bpv en de uitoefening van deze beroepsrichting een VOG is vereist. Omdat de BPV deel uit maakt van de examenvereisten, is een VOG voorwaardelijk om het diploma te behalen.

Aanvragen: Bedrijven en instellingen kunnen ten behoeve van een natuurlijk persoon een VOG aanvragen. Online aanvragen is de goedkoopste oplossing. De betrokkene ontvangt een email en de gegevens om af te kunnen rekenen.

Discussie

De school betaalt: Aangezien de stages een onderdeel zijn van het reguliere aanbod (en voorwaardelijk voor het behalen van het diploma) ligt het voor de hand te veronderstellen dat de kosten hiervoor bij de opleiding liggen.
Nee, het bpv-bedrijf betaalt: Een werkgever zal voor zijn werknemers de vereiste VOG vergoeden. Een stagiair is in deze te vergelijken met een werknemer.
Nee, de student betaalt: omdat het persoonlijk van aard is, hoort het bij de onderwijsbenodigdheden.

Kortom: hier is nog geen uitsluitsel over!!

Een student kan niet worden verplicht een device mee te nemen naar de les. In principe horen computers of aanverwante middelen in voldoende mate beschikbaar te zijn tijdens de opleiding. Zij behoren immers tot de basisuitrusting van de instelling en zijn bekostigd vanuit de lumpsum.
Een student mag verplicht worden te kunnen beschikken over een middel om digitale leerinhoud te kunnen gebruiken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen maar niet worden verplicht dit middel bij zich te hebben tijdens de lessen. Ook kan de student de toegang tot de lessen hierom niet worden ontzegd.

De minister heeft aangegeven dat het restant van het WTO mag worden aangewend voor aanvullende maatregelen in het kader van de opleiding ten behoeve van de student. Het lijkt daarom in de rede aan te nemen dat ook deze activiteiten in aanmerking komen voor een (gehele of gedeeltelijke) tegemoetkoming in de kosten voor de student.
nb. Er is nog geen regeling die uitsluitsel geeft of dit pas mag indien alle aanvragen voor de reguliere tegemoetkoming zijn ingevuld.

Beroepspraktijkvorming (bpv)

Nee, gereedschappen behoren in beide gevallen tot de basisinventaris. De opleiding regelt dit met het leerbedrijf in hun overeenkomst. De opleiding zou vanuit de WTO een bijdrage kunnen leveren aan de aanschaf van gereedschap. Dit staat echter op gespannen voet met de regel rondom de basisinventaris, omdat de aanschaf van gereedschap uitsluitend op advies en vrijwillig door de student kan worden aangeschaft.
Van de student mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met de beschikbare middelen tijdens de opleiding. De opleiding ziet toe op het juiste en veilig gebruik en de beschikbaarheid ervan.

De BPV valt in alle opzichten onder het reguliere aanbod en derhalve volledig bekostigd uit de lumpsum. De student mag, op basis van vrijwilligheid, worden gevraagd te kunnen beschikken over dat wat nodig is om zich voor te bereiden op de stage. De opleiding en het leerbedrijf maken afspraken over de bekostiging van dat wat nodig is tijdens de stage. Eventuele aanvullende eisen door het leerbedrijf met betrekking tot VCE en VOG komen in principe voor rekening van de opleiding en het leerbedrijf. [let op: over de VOG is geen overeenstemming. Zie hier.]

Examens en toetsen

Er zijn twee soorten toetsen en examens:
Formatieve toetsen bieden ondersteuning aan het beoordelen van de vorderingen van de student. De uitslag moet ook worden gedeeld met de student zodat deze een beeld krijgt van de studieresultaten. Zij vormen een onderdeel van het reguliere aanbod tijdens de lessen. Formatieve toetsen leveren wel een bijdrage aan de kwalificatie maar zijn er geen onderdeel van.
Summatieve toetsen en examens zijn een onderdeel van de kwalificatie en voor rekening van de opleiding. Soms zitten er kwalificerende onderdelen in de leerinhoud waarvan wordt verwacht dat de student er over kan beschikken. De kosten hiervan moeten worden gedragen door de opleiding en in overleg met de uitgever worden bepaald.

Extra vraag: Hoe zit het met aanvullende toetsen en examens?

Deze maken wel of geen onderdeel uit van het reguliere aanbod. Indien zij een onderdeel zijn van het reguliere aanbod, tijdens de lessen of de stage, dan zijn de kosten voor de opleiding. Zo niet, dan zijn zij vrijwillig en voor rekening van de student, al dan niet met een bijdrage van de instelling en/of het leerbedrijf.

Facilitering proces

Nee, gereedschappen behoren in beide gevallen tot de basisinventaris. De opleiding regelt dit met het leerbedrijf in hun overeenkomst. De opleiding zou vanuit de WTO een bijdrage kunnen leveren aan de aanschaf van gereedschap. Dit staat echter op gespannen voet met de regel rondom de basisinventaris, omdat de aanschaf van gereedschap uitsluitend op advies en vrijwillig door de student kan worden aangeschaft.
Van de student mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met de beschikbare middelen tijdens de opleiding. De opleiding ziet toe op het juiste en veilig gebruik en de beschikbaarheid ervan.

Hier zijn we nog niet volledig uit, maar de gedachten zijn de volgende:
1. Wat voor de overige onderwijsinhoud geldt, geldt ook voor keuzedelen: dat wil zeggen dat er geen extra financiële bijdrage mag worden gevraagd (tenzij er een kosteloos alternatief is, zie 2), maar dat er wel mag worden gevraagd over onderwijsbenodigdheden te beschikken om je te kunnen voorbereiden op de lessen en toetsen.
2. Wat voor excursies en andere extra’s geldt , geldt ook voor keuzedelen: als het deel uit maakt van de opleiding, en het kost geld, moet er ook een kosteloos alternatief worden aangeboden voor diegenen die er niet voor kunnen of willen betalen.

Denk als school goed na over de wenselijkheid van keuzedelen die alleen bereikbaar zijn voor de ‘happy few’.

Categorieën: Beleid, Keuzedelen

De BPV valt in alle opzichten onder het reguliere aanbod en derhalve volledig bekostigd uit de lumpsum. De student mag, op basis van vrijwilligheid, worden gevraagd te kunnen beschikken over dat wat nodig is om zich voor te bereiden op de stage. De opleiding en het leerbedrijf maken afspraken over de bekostiging van dat wat nodig is tijdens de stage. Eventuele aanvullende eisen door het leerbedrijf met betrekking tot VCE en VOG komen in principe voor rekening van de opleiding en het leerbedrijf. [let op: over de VOG is geen overeenstemming. Zie hier.]

Gereedschappen

Verbruiksmateriaal is niet of slechts deels herbruikbaar, en dus waardeloos of van mindere waarde na gebruik. Gereedschap is duurzaam en langdurig te gebruiken. De student mag worden geadviseerd zelf gereedschap aan te schaffen in het kader van de opleiding, maar niet worden verplicht. Gereedschap en verbruiksmaterialen vallen binnen de basisuitrusting bekostigd uit de lumpsum.

Nee, gereedschappen behoren in beide gevallen tot de basisinventaris. De opleiding regelt dit met het leerbedrijf in hun overeenkomst. De opleiding zou vanuit de WTO een bijdrage kunnen leveren aan de aanschaf van gereedschap. Dit staat echter op gespannen voet met de regel rondom de basisinventaris, omdat de aanschaf van gereedschap uitsluitend op advies en vrijwillig door de student kan worden aangeschaft.
Van de student mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met de beschikbare middelen tijdens de opleiding. De opleiding ziet toe op het juiste en veilig gebruik en de beschikbaarheid ervan.

In principe valt de knipkop onder de basisuitrusting van de opleiding. De student kan gevraagd worden hierover te beschikken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. De eventuele aanschaf is vrijwillig. De student kan immers ook oefenen op de hoofden van familieleden en/of klanten.

De student moet voorafgaand op de inschrijving geïnformeerd worden over de mogelijkheid tot bruikleen van de middelen die nodig zijn om de opleiding te kunnen volgen en zich voor te bereiden op de lessen en toetsen. De bruikleen is te allen tijde vrijwillig. Indien de student afziet van bruikleen moeten de benodigde uitrusting op school (of stage) beschikbaar zijn vanuit de basisinventaris.

De student kan niet worden verplicht middelen mee te nemen naar de lessen.

Ja, en dan mag de student ze houden of hij/zij mag de set weer kosteloos inleveren. (Betaling van een vergoeding is dus niet verplicht.)

En Let op: Je moet dit wel netjes regelen en vastleggen, is ook wel een gedoetje.

Keuzedelen

Hier zijn we nog niet volledig uit, maar de gedachten zijn de volgende:
1. Wat voor de overige onderwijsinhoud geldt, geldt ook voor keuzedelen: dat wil zeggen dat er geen extra financiële bijdrage mag worden gevraagd (tenzij er een kosteloos alternatief is, zie 2), maar dat er wel mag worden gevraagd over onderwijsbenodigdheden te beschikken om je te kunnen voorbereiden op de lessen en toetsen.
2. Wat voor excursies en andere extra’s geldt , geldt ook voor keuzedelen: als het deel uit maakt van de opleiding, en het kost geld, moet er ook een kosteloos alternatief worden aangeboden voor diegenen die er niet voor kunnen of willen betalen.

Denk als school goed na over de wenselijkheid van keuzedelen die alleen bereikbaar zijn voor de ‘happy few’.

Categorieën: Beleid, Keuzedelen

Kosten van de mbo-opleiding: leerbedrijf

De bpv/stage is een kwalificerend onderdeel van de opleiding en derhalve bekostigd vanuit de lumpsum. Veelal zal het leerbedrijf, al dan niet in overleg met de opleiding, zorgdragen voor de benodigde gereedschappen en verbruiksmaterialen.

Kosten van een mbo-opleiding: voor de school

Als het gaat om softwarelicenties voor branchespecifieke software zoals bijvoorbeeld een reserveringssysteem, is deze softwaregereedschap te vergelijken met gereedschap. Dat betekent dat dit voor rekening van de school zou moeten zijn.

Ja, afhankelijk van de hoeveelheid, waarschijnlijk wel. Dit valt onder aanbestedings-regelgeving (≥ € 204.000 over 4 jaar) En let op, je doet  er verstandig aan dit over meerdere percelen te verdelen.

Nee, in principe zijn de materialen die nodig zijn om de onderwijshandelingen ten behoeve van een kwalificatie bekostigd vanuit de lumpsum. Indien de student aanvullende materialen wil gebruiken vallen deze niet onder de reguliere bekostiging en mogen dus voor rekening van de student komen. Het uitoefenen van druk op de student om zelf reguliere verbruiksmaterialen aan te schaffen is niet toegestaan. Ook niet als dit in overleg met tussen het College van Bestuur en de Studentenraad is overeengekomen.

Aanvullend: Een vrijwillige aanvulling op het reguliere aanbod is in principe voor rekening van de student. Er mag geen druk worden uitgeoefend om hieraan deel te nemen. Indien het aanbod kwalificerend is dient de opleiding een kosteloos alternatief aan te bieden.

De school mag dat verbieden maar ook toestaan al dan niet tegen een reële vergoeding.

(Denk hierbij aan de opleidingen bloemschikken, brood- en banket, etc.)

Er zijn twee soorten toetsen en examens:
Formatieve toetsen bieden ondersteuning aan het beoordelen van de vorderingen van de student. De uitslag moet ook worden gedeeld met de student zodat deze een beeld krijgt van de studieresultaten. Zij vormen een onderdeel van het reguliere aanbod tijdens de lessen. Formatieve toetsen leveren wel een bijdrage aan de kwalificatie maar zijn er geen onderdeel van.
Summatieve toetsen en examens zijn een onderdeel van de kwalificatie en voor rekening van de opleiding. Soms zitten er kwalificerende onderdelen in de leerinhoud waarvan wordt verwacht dat de student er over kan beschikken. De kosten hiervan moeten worden gedragen door de opleiding en in overleg met de uitgever worden bepaald.

Extra vraag: Hoe zit het met aanvullende toetsen en examens?

Deze maken wel of geen onderdeel uit van het reguliere aanbod. Indien zij een onderdeel zijn van het reguliere aanbod, tijdens de lessen of de stage, dan zijn de kosten voor de opleiding. Zo niet, dan zijn zij vrijwillig en voor rekening van de student, al dan niet met een bijdrage van de instelling en/of het leerbedrijf.

Een student kan niet worden verplicht een device mee te nemen naar de les. In principe horen computers of aanverwante middelen in voldoende mate beschikbaar te zijn tijdens de opleiding. Zij behoren immers tot de basisuitrusting van de instelling en zijn bekostigd vanuit de lumpsum.
Een student mag verplicht worden te kunnen beschikken over een middel om digitale leerinhoud te kunnen gebruiken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen maar niet worden verplicht dit middel bij zich te hebben tijdens de lessen. Ook kan de student de toegang tot de lessen hierom niet worden ontzegd.

Ja, en dan mag de student ze houden of hij/zij mag de set weer kosteloos inleveren. (Betaling van een vergoeding is dus niet verplicht.)

En Let op: Je moet dit wel netjes regelen en vastleggen, is ook wel een gedoetje.

Kosten van de mbo-opleiding: voor de student

Een elektronische leeromgeving (ELO) is een vorm van dienstlening aan zowel de opleiding als de student en is onderdeel van de basisinventaris van de opleiding. De kosten hiervan mogen niet worden doorbelast aan de student.
De student mag wel gevraagd worden te kunnen beschikken over de licenties ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. Tijdens de lessen moet de student gebruik kunnen maken van de digitale voorzieningen die door de opleiding beschikbaar worden gesteld. In principe is de leerinhoud binnen de ELO daarmee een onderdeel van het reguliere aanbod en dus voor rekening van de opleiding.
De student is vrij licenties overal aan te schaffen en mag niet worden gedwongen dit via de opleiding (of een aangewezen webshop) te doen. Het is aan de student te kiezen voor het meest gunstige aanbod. De school mag er alles aan doen de toegang tot de leerinhoud zo eenvoudig mogelijk en efficiënt te maken maar mag daar geen bijdrage voor verlangen aan de student.

Vraag: “We verwachten van een niveau-4 student dat deze zelf over een laptop beschikt. Studenten mediavormgeving hebben een krachtige laptop nodig waar de student geacht wordt over te beschikken. Mag ik verplichten een dergelijke laptop aan te schaffen?”

Antwoord: Je mag minimumeisen stellen aan de laptop waarover de student dient te beschikken en die mogen bij de opleiding mediavormgeving hoger liggen. Een alternatief is het in bruikleen geven van een laptop, al dan niet met een borg al dan niet in combinatie met een bijdrage uit het WTO-fonds.

Nee, gereedschappen behoren in beide gevallen tot de basisinventaris. De opleiding regelt dit met het leerbedrijf in hun overeenkomst. De opleiding zou vanuit de WTO een bijdrage kunnen leveren aan de aanschaf van gereedschap. Dit staat echter op gespannen voet met de regel rondom de basisinventaris, omdat de aanschaf van gereedschap uitsluitend op advies en vrijwillig door de student kan worden aangeschaft.
Van de student mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met de beschikbare middelen tijdens de opleiding. De opleiding ziet toe op het juiste en veilig gebruik en de beschikbaarheid ervan.

Nee, in principe zijn de materialen die nodig zijn om de onderwijshandelingen ten behoeve van een kwalificatie bekostigd vanuit de lumpsum. Indien de student aanvullende materialen wil gebruiken vallen deze niet onder de reguliere bekostiging en mogen dus voor rekening van de student komen. Het uitoefenen van druk op de student om zelf reguliere verbruiksmaterialen aan te schaffen is niet toegestaan. Ook niet als dit in overleg met tussen het College van Bestuur en de Studentenraad is overeengekomen.

Aanvullend: Een vrijwillige aanvulling op het reguliere aanbod is in principe voor rekening van de student. Er mag geen druk worden uitgeoefend om hieraan deel te nemen. Indien het aanbod kwalificerend is dient de opleiding een kosteloos alternatief aan te bieden.

De school mag dat verbieden maar ook toestaan al dan niet tegen een reële vergoeding.

(Denk hierbij aan de opleidingen bloemschikken, brood- en banket, etc.)

Er zijn twee soorten toetsen en examens:
Formatieve toetsen bieden ondersteuning aan het beoordelen van de vorderingen van de student. De uitslag moet ook worden gedeeld met de student zodat deze een beeld krijgt van de studieresultaten. Zij vormen een onderdeel van het reguliere aanbod tijdens de lessen. Formatieve toetsen leveren wel een bijdrage aan de kwalificatie maar zijn er geen onderdeel van.
Summatieve toetsen en examens zijn een onderdeel van de kwalificatie en voor rekening van de opleiding. Soms zitten er kwalificerende onderdelen in de leerinhoud waarvan wordt verwacht dat de student er over kan beschikken. De kosten hiervan moeten worden gedragen door de opleiding en in overleg met de uitgever worden bepaald.

Extra vraag: Hoe zit het met aanvullende toetsen en examens?

Deze maken wel of geen onderdeel uit van het reguliere aanbod. Indien zij een onderdeel zijn van het reguliere aanbod, tijdens de lessen of de stage, dan zijn de kosten voor de opleiding. Zo niet, dan zijn zij vrijwillig en voor rekening van de student, al dan niet met een bijdrage van de instelling en/of het leerbedrijf.

Een student kan niet worden verplicht een device mee te nemen naar de les. In principe horen computers of aanverwante middelen in voldoende mate beschikbaar te zijn tijdens de opleiding. Zij behoren immers tot de basisuitrusting van de instelling en zijn bekostigd vanuit de lumpsum.
Een student mag verplicht worden te kunnen beschikken over een middel om digitale leerinhoud te kunnen gebruiken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen maar niet worden verplicht dit middel bij zich te hebben tijdens de lessen. Ook kan de student de toegang tot de lessen hierom niet worden ontzegd.

De student moet voorafgaand op de inschrijving geïnformeerd worden over de mogelijkheid tot bruikleen van de middelen die nodig zijn om de opleiding te kunnen volgen en zich voor te bereiden op de lessen en toetsen. De bruikleen is te allen tijde vrijwillig. Indien de student afziet van bruikleen moeten de benodigde uitrusting op school (of stage) beschikbaar zijn vanuit de basisinventaris.

De student kan niet worden verplicht middelen mee te nemen naar de lessen.

Ja, en dan mag de student ze houden of hij/zij mag de set weer kosteloos inleveren. (Betaling van een vergoeding is dus niet verplicht.)

En Let op: Je moet dit wel netjes regelen en vastleggen, is ook wel een gedoetje.

De BPV valt in alle opzichten onder het reguliere aanbod en derhalve volledig bekostigd uit de lumpsum. De student mag, op basis van vrijwilligheid, worden gevraagd te kunnen beschikken over dat wat nodig is om zich voor te bereiden op de stage. De opleiding en het leerbedrijf maken afspraken over de bekostiging van dat wat nodig is tijdens de stage. Eventuele aanvullende eisen door het leerbedrijf met betrekking tot VCE en VOG komen in principe voor rekening van de opleiding en het leerbedrijf. [let op: over de VOG is geen overeenstemming. Zie hier.]

laptops en/of tablets

Vraag: “We verwachten van een niveau-4 student dat deze zelf over een laptop beschikt. Studenten mediavormgeving hebben een krachtige laptop nodig waar de student geacht wordt over te beschikken. Mag ik verplichten een dergelijke laptop aan te schaffen?”

Antwoord: Je mag minimumeisen stellen aan de laptop waarover de student dient te beschikken en die mogen bij de opleiding mediavormgeving hoger liggen. Een alternatief is het in bruikleen geven van een laptop, al dan niet met een borg al dan niet in combinatie met een bijdrage uit het WTO-fonds.

Een student kan niet worden verplicht een device mee te nemen naar de les. In principe horen computers of aanverwante middelen in voldoende mate beschikbaar te zijn tijdens de opleiding. Zij behoren immers tot de basisuitrusting van de instelling en zijn bekostigd vanuit de lumpsum.
Een student mag verplicht worden te kunnen beschikken over een middel om digitale leerinhoud te kunnen gebruiken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen maar niet worden verplicht dit middel bij zich te hebben tijdens de lessen. Ook kan de student de toegang tot de lessen hierom niet worden ontzegd.

Licenties

Als het gaat om softwarelicenties voor branchespecifieke software zoals bijvoorbeeld een reserveringssysteem, is deze softwaregereedschap te vergelijken met gereedschap. Dat betekent dat dit voor rekening van de school zou moeten zijn.

Een elektronische leeromgeving (ELO) is een vorm van dienstlening aan zowel de opleiding als de student en is onderdeel van de basisinventaris van de opleiding. De kosten hiervan mogen niet worden doorbelast aan de student.
De student mag wel gevraagd worden te kunnen beschikken over de licenties ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. Tijdens de lessen moet de student gebruik kunnen maken van de digitale voorzieningen die door de opleiding beschikbaar worden gesteld. In principe is de leerinhoud binnen de ELO daarmee een onderdeel van het reguliere aanbod en dus voor rekening van de opleiding.
De student is vrij licenties overal aan te schaffen en mag niet worden gedwongen dit via de opleiding (of een aangewezen webshop) te doen. Het is aan de student te kiezen voor het meest gunstige aanbod. De school mag er alles aan doen de toegang tot de leerinhoud zo eenvoudig mogelijk en efficiënt te maken maar mag daar geen bijdrage voor verlangen aan de student.

Niet-wettelijke (vrijwillige) bijdrage

De minister heeft aangegeven dat het restant van het WTO mag worden aangewend voor aanvullende maatregelen in het kader van de opleiding ten behoeve van de student. Het lijkt daarom in de rede aan te nemen dat ook deze activiteiten in aanmerking komen voor een (gehele of gedeeltelijke) tegemoetkoming in de kosten voor de student.
nb. Er is nog geen regeling die uitsluitsel geeft of dit pas mag indien alle aanvragen voor de reguliere tegemoetkoming zijn ingevuld.

Overige vragen Leermiddelenbeleid en Schoolkosten

Gezamenlijke, al dan niet regionale, inkoop levert schaalvoordelen op voor de opleiding en de student. De student mag niet worden verplicht hieraan deel te nemen of worden belast met de kosten van ervan. In principe vallen verbruiksmaterialen onder de lumpsum-financiering van de opleiding. Bij een aankoopbedrag van meer dan 204.000 euro in vier jaar moet Europees worden aanbesteed.

De vraag is, welke partij, school, student, bpv-bedrijf, hiervoor de kosten moet dragen. Hierover is nog geen uitsluitsel en blijven de meningen verdeeld.

Duidelijk is, dat de student voorafgaande aan de opleiding moet weten dat voor de bpv en de uitoefening van deze beroepsrichting een VOG is vereist. Omdat de BPV deel uit maakt van de examenvereisten, is een VOG voorwaardelijk om het diploma te behalen.

Aanvragen: Bedrijven en instellingen kunnen ten behoeve van een natuurlijk persoon een VOG aanvragen. Online aanvragen is de goedkoopste oplossing. De betrokkene ontvangt een email en de gegevens om af te kunnen rekenen.

Discussie

De school betaalt: Aangezien de stages een onderdeel zijn van het reguliere aanbod (en voorwaardelijk voor het behalen van het diploma) ligt het voor de hand te veronderstellen dat de kosten hiervoor bij de opleiding liggen.
Nee, het bpv-bedrijf betaalt: Een werkgever zal voor zijn werknemers de vereiste VOG vergoeden. Een stagiair is in deze te vergelijken met een werknemer.
Nee, de student betaalt: omdat het persoonlijk van aard is, hoort het bij de onderwijsbenodigdheden.

Kortom: hier is nog geen uitsluitsel over!!

De minister heeft aangegeven dat het restant van het WTO mag worden aangewend voor aanvullende maatregelen in het kader van de opleiding ten behoeve van de student. Het lijkt daarom in de rede aan te nemen dat ook deze activiteiten in aanmerking komen voor een (gehele of gedeeltelijke) tegemoetkoming in de kosten voor de student.
nb. Er is nog geen regeling die uitsluitsel geeft of dit pas mag indien alle aanvragen voor de reguliere tegemoetkoming zijn ingevuld.

Producten externe partners

De bpv/stage is een kwalificerend onderdeel van de opleiding en derhalve bekostigd vanuit de lumpsum. Veelal zal het leerbedrijf, al dan niet in overleg met de opleiding, zorgdragen voor de benodigde gereedschappen en verbruiksmaterialen.

Verbruiksmateriaal is niet of slechts deels herbruikbaar, en dus waardeloos of van mindere waarde na gebruik. Gereedschap is duurzaam en langdurig te gebruiken. De student mag worden geadviseerd zelf gereedschap aan te schaffen in het kader van de opleiding, maar niet worden verplicht. Gereedschap en verbruiksmaterialen vallen binnen de basisuitrusting bekostigd uit de lumpsum.

Als het gaat om softwarelicenties voor branchespecifieke software zoals bijvoorbeeld een reserveringssysteem, is deze softwaregereedschap te vergelijken met gereedschap. Dat betekent dat dit voor rekening van de school zou moeten zijn.

Ja, afhankelijk van de hoeveelheid, waarschijnlijk wel. Dit valt onder aanbestedings-regelgeving (≥ € 204.000 over 4 jaar) En let op, je doet  er verstandig aan dit over meerdere percelen te verdelen.

Een elektronische leeromgeving (ELO) is een vorm van dienstlening aan zowel de opleiding als de student en is onderdeel van de basisinventaris van de opleiding. De kosten hiervan mogen niet worden doorbelast aan de student.
De student mag wel gevraagd worden te kunnen beschikken over de licenties ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. Tijdens de lessen moet de student gebruik kunnen maken van de digitale voorzieningen die door de opleiding beschikbaar worden gesteld. In principe is de leerinhoud binnen de ELO daarmee een onderdeel van het reguliere aanbod en dus voor rekening van de opleiding.
De student is vrij licenties overal aan te schaffen en mag niet worden gedwongen dit via de opleiding (of een aangewezen webshop) te doen. Het is aan de student te kiezen voor het meest gunstige aanbod. De school mag er alles aan doen de toegang tot de leerinhoud zo eenvoudig mogelijk en efficiënt te maken maar mag daar geen bijdrage voor verlangen aan de student.

Vraag: “We verwachten van een niveau-4 student dat deze zelf over een laptop beschikt. Studenten mediavormgeving hebben een krachtige laptop nodig waar de student geacht wordt over te beschikken. Mag ik verplichten een dergelijke laptop aan te schaffen?”

Antwoord: Je mag minimumeisen stellen aan de laptop waarover de student dient te beschikken en die mogen bij de opleiding mediavormgeving hoger liggen. Een alternatief is het in bruikleen geven van een laptop, al dan niet met een borg al dan niet in combinatie met een bijdrage uit het WTO-fonds.

Nee, gereedschappen behoren in beide gevallen tot de basisinventaris. De opleiding regelt dit met het leerbedrijf in hun overeenkomst. De opleiding zou vanuit de WTO een bijdrage kunnen leveren aan de aanschaf van gereedschap. Dit staat echter op gespannen voet met de regel rondom de basisinventaris, omdat de aanschaf van gereedschap uitsluitend op advies en vrijwillig door de student kan worden aangeschaft.
Van de student mag worden verwacht dat deze zorgvuldig omgaat met de beschikbare middelen tijdens de opleiding. De opleiding ziet toe op het juiste en veilig gebruik en de beschikbaarheid ervan.

Nee, in principe zijn de materialen die nodig zijn om de onderwijshandelingen ten behoeve van een kwalificatie bekostigd vanuit de lumpsum. Indien de student aanvullende materialen wil gebruiken vallen deze niet onder de reguliere bekostiging en mogen dus voor rekening van de student komen. Het uitoefenen van druk op de student om zelf reguliere verbruiksmaterialen aan te schaffen is niet toegestaan. Ook niet als dit in overleg met tussen het College van Bestuur en de Studentenraad is overeengekomen.

Aanvullend: Een vrijwillige aanvulling op het reguliere aanbod is in principe voor rekening van de student. Er mag geen druk worden uitgeoefend om hieraan deel te nemen. Indien het aanbod kwalificerend is dient de opleiding een kosteloos alternatief aan te bieden.

In principe valt de knipkop onder de basisuitrusting van de opleiding. De student kan gevraagd worden hierover te beschikken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. De eventuele aanschaf is vrijwillig. De student kan immers ook oefenen op de hoofden van familieleden en/of klanten.

De school mag dat verbieden maar ook toestaan al dan niet tegen een reële vergoeding.

(Denk hierbij aan de opleidingen bloemschikken, brood- en banket, etc.)

Gezamenlijke, al dan niet regionale, inkoop levert schaalvoordelen op voor de opleiding en de student. De student mag niet worden verplicht hieraan deel te nemen of worden belast met de kosten van ervan. In principe vallen verbruiksmaterialen onder de lumpsum-financiering van de opleiding. Bij een aankoopbedrag van meer dan 204.000 euro in vier jaar moet Europees worden aanbesteed.

Een student kan niet worden verplicht een device mee te nemen naar de les. In principe horen computers of aanverwante middelen in voldoende mate beschikbaar te zijn tijdens de opleiding. Zij behoren immers tot de basisuitrusting van de instelling en zijn bekostigd vanuit de lumpsum.
Een student mag verplicht worden te kunnen beschikken over een middel om digitale leerinhoud te kunnen gebruiken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen maar niet worden verplicht dit middel bij zich te hebben tijdens de lessen. Ook kan de student de toegang tot de lessen hierom niet worden ontzegd.

De student moet voorafgaand op de inschrijving geïnformeerd worden over de mogelijkheid tot bruikleen van de middelen die nodig zijn om de opleiding te kunnen volgen en zich voor te bereiden op de lessen en toetsen. De bruikleen is te allen tijde vrijwillig. Indien de student afziet van bruikleen moeten de benodigde uitrusting op school (of stage) beschikbaar zijn vanuit de basisinventaris.

De student kan niet worden verplicht middelen mee te nemen naar de lessen.

Je mag vanuit de aanbestedingswetgeving een student niet verplichten om de voor de opleiding benodigde kleding op een door de instelling bepaald adres aan te schaffen (ookal zijn dat meerdere adressen).

De instelling mag niet verlangen dat de student (veiligheids-) kleding aanschaft met het logo van de instelling daarop aangebracht. Hierbij geldt wel de kanttekening dat sommige functioneel onderscheidende werkkleding zoals een uniform zonder logo wel voorgeschreven mag worden. De instelling kan niet voorschrijven dat de student de (veiligheids) kleding bij één specifieke leverancier aanschaft, ook leen- of 2e hands moet zijn toegestaan. Student mag gevraagd worden over (veiligheids-) kleding te beschikken.

Als oplossingrichting is aangedragen:

  • Hanteer alleen (veiligheids-) eisen en kleur;
  • stel gratis losse logo’s ter beschikking (speldje of opnaaien/strijken);
  • zorg voor vrije keuze van leverancier;
  • je mag wel leveranciers adviseren waarbij e.e.a. gekocht kan worden;
  • Je zou zelfs ook een leverancier kunnen voorstellen waar de student inclusief logo zou kunnen bestellen (dan hoeft hij niet te naaien)

Ja, en dan mag de student ze houden of hij/zij mag de set weer kosteloos inleveren. (Betaling van een vergoeding is dus niet verplicht.)

En Let op: Je moet dit wel netjes regelen en vastleggen, is ook wel een gedoetje.

Producten instelling

Readers worden, al dan niet in opdracht, ontwikkeld door de instelling. Het auteursrecht ligt bij de ontwikkelende partij. Daarmee zijn readers een onderdeel van het reguliere aanbod en om die reden bekostigd vanuit de lumpsum.
De opleiding kan ervoor kiezen de readers in een digitale variant gratis ter beschikking te stellen. Naar keuze kan een student kiezen voor een betaalde ‘analoge’ variant.

Categorieën: Readers

Er zijn twee soorten toetsen en examens:
Formatieve toetsen bieden ondersteuning aan het beoordelen van de vorderingen van de student. De uitslag moet ook worden gedeeld met de student zodat deze een beeld krijgt van de studieresultaten. Zij vormen een onderdeel van het reguliere aanbod tijdens de lessen. Formatieve toetsen leveren wel een bijdrage aan de kwalificatie maar zijn er geen onderdeel van.
Summatieve toetsen en examens zijn een onderdeel van de kwalificatie en voor rekening van de opleiding. Soms zitten er kwalificerende onderdelen in de leerinhoud waarvan wordt verwacht dat de student er over kan beschikken. De kosten hiervan moeten worden gedragen door de opleiding en in overleg met de uitgever worden bepaald.

Extra vraag: Hoe zit het met aanvullende toetsen en examens?

Deze maken wel of geen onderdeel uit van het reguliere aanbod. Indien zij een onderdeel zijn van het reguliere aanbod, tijdens de lessen of de stage, dan zijn de kosten voor de opleiding. Zo niet, dan zijn zij vrijwillig en voor rekening van de student, al dan niet met een bijdrage van de instelling en/of het leerbedrijf.

De minister heeft aangegeven dat het restant van het WTO mag worden aangewend voor aanvullende maatregelen in het kader van de opleiding ten behoeve van de student. Het lijkt daarom in de rede aan te nemen dat ook deze activiteiten in aanmerking komen voor een (gehele of gedeeltelijke) tegemoetkoming in de kosten voor de student.
nb. Er is nog geen regeling die uitsluitsel geeft of dit pas mag indien alle aanvragen voor de reguliere tegemoetkoming zijn ingevuld.

Readers

Readers worden, al dan niet in opdracht, ontwikkeld door de instelling. Het auteursrecht ligt bij de ontwikkelende partij. Daarmee zijn readers een onderdeel van het reguliere aanbod en om die reden bekostigd vanuit de lumpsum.
De opleiding kan ervoor kiezen de readers in een digitale variant gratis ter beschikking te stellen. Naar keuze kan een student kiezen voor een betaalde ‘analoge’ variant.

Categorieën: Readers

Verbruiksmaterialen

De bpv/stage is een kwalificerend onderdeel van de opleiding en derhalve bekostigd vanuit de lumpsum. Veelal zal het leerbedrijf, al dan niet in overleg met de opleiding, zorgdragen voor de benodigde gereedschappen en verbruiksmaterialen.

Verbruiksmateriaal is niet of slechts deels herbruikbaar, en dus waardeloos of van mindere waarde na gebruik. Gereedschap is duurzaam en langdurig te gebruiken. De student mag worden geadviseerd zelf gereedschap aan te schaffen in het kader van de opleiding, maar niet worden verplicht. Gereedschap en verbruiksmaterialen vallen binnen de basisuitrusting bekostigd uit de lumpsum.

Ja, afhankelijk van de hoeveelheid, waarschijnlijk wel. Dit valt onder aanbestedings-regelgeving (≥ € 204.000 over 4 jaar) En let op, je doet  er verstandig aan dit over meerdere percelen te verdelen.

Nee, in principe zijn de materialen die nodig zijn om de onderwijshandelingen ten behoeve van een kwalificatie bekostigd vanuit de lumpsum. Indien de student aanvullende materialen wil gebruiken vallen deze niet onder de reguliere bekostiging en mogen dus voor rekening van de student komen. Het uitoefenen van druk op de student om zelf reguliere verbruiksmaterialen aan te schaffen is niet toegestaan. Ook niet als dit in overleg met tussen het College van Bestuur en de Studentenraad is overeengekomen.

Aanvullend: Een vrijwillige aanvulling op het reguliere aanbod is in principe voor rekening van de student. Er mag geen druk worden uitgeoefend om hieraan deel te nemen. Indien het aanbod kwalificerend is dient de opleiding een kosteloos alternatief aan te bieden.

In principe valt de knipkop onder de basisuitrusting van de opleiding. De student kan gevraagd worden hierover te beschikken ter voorbereiding van de lessen en de toetsen. De eventuele aanschaf is vrijwillig. De student kan immers ook oefenen op de hoofden van familieleden en/of klanten.

De school mag dat verbieden maar ook toestaan al dan niet tegen een reële vergoeding.

(Denk hierbij aan de opleidingen bloemschikken, brood- en banket, etc.)

Gezamenlijke, al dan niet regionale, inkoop levert schaalvoordelen op voor de opleiding en de student. De student mag niet worden verplicht hieraan deel te nemen of worden belast met de kosten van ervan. In principe vallen verbruiksmaterialen onder de lumpsum-financiering van de opleiding. Bij een aankoopbedrag van meer dan 204.000 euro in vier jaar moet Europees worden aanbesteed.

Werkkleding en Schoeisel

De student moet voorafgaand op de inschrijving geïnformeerd worden over de mogelijkheid tot bruikleen van de middelen die nodig zijn om de opleiding te kunnen volgen en zich voor te bereiden op de lessen en toetsen. De bruikleen is te allen tijde vrijwillig. Indien de student afziet van bruikleen moeten de benodigde uitrusting op school (of stage) beschikbaar zijn vanuit de basisinventaris.

De student kan niet worden verplicht middelen mee te nemen naar de lessen.

Je mag vanuit de aanbestedingswetgeving een student niet verplichten om de voor de opleiding benodigde kleding op een door de instelling bepaald adres aan te schaffen (ookal zijn dat meerdere adressen).

De instelling mag niet verlangen dat de student (veiligheids-) kleding aanschaft met het logo van de instelling daarop aangebracht. Hierbij geldt wel de kanttekening dat sommige functioneel onderscheidende werkkleding zoals een uniform zonder logo wel voorgeschreven mag worden. De instelling kan niet voorschrijven dat de student de (veiligheids) kleding bij één specifieke leverancier aanschaft, ook leen- of 2e hands moet zijn toegestaan. Student mag gevraagd worden over (veiligheids-) kleding te beschikken.

Als oplossingrichting is aangedragen:

  • Hanteer alleen (veiligheids-) eisen en kleur;
  • stel gratis losse logo’s ter beschikking (speldje of opnaaien/strijken);
  • zorg voor vrije keuze van leverancier;
  • je mag wel leveranciers adviseren waarbij e.e.a. gekocht kan worden;
  • Je zou zelfs ook een leverancier kunnen voorstellen waar de student inclusief logo zou kunnen bestellen (dan hoeft hij niet te naaien)

Load More